Hoofdstuk 4: Henk
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
Hij heette Henk Rouwhorst, hij had bijna vijftig jaar in deze bakkerij gestaan, en hij at de verbrande krentenslang tot de laatste kruimel op.
„Het midden is niet gaar,” zei hij met volle mond. „De buitenkant is houtskool. Je hebt te veel bloem gebruikt en te weinig geduld. Maar de krenten zitten goed.” Hij veegde zijn mond af met de rug van zijn hand. „Niet zuinig. Dat is in elk geval iets.”
Ze zaten aan de werktafel in de bakkerij, op twee krukken die Henk uit een hok onder de trap had gehaald, alsof hij nooit was weggeweest. Hij had zijn pet afgezet. Zijn haar was wit en dun, en zijn handen waren enorm, met korte, brede vingers en littekentjes op de knokkels, kleine witte streepjes van oude brandwonden.
„Ik zag licht branden,” zei hij. „Ik woon aan de Kerkstraat, ik laat elke avond de hond uit langs de Brink. En toen rook ik het. Mijn vrouw zei: Henk, ga daar niet naartoe, dat meisje heeft rust nodig. Maar ik dacht: als ze dat ding daarbeneden aansteekt zonder te weten wat ze doet, heeft ze straks helemaal geen rust meer.”
„Ik heb hem niet durven aansteken.”
„Verstandig.” Hij keek naar de Werner, met iets in zijn ogen wat Sanne bij mannen van zijn leeftijd alleen kende van oude auto's en voetbalclubs. „Hij is niet gevaarlijk. Hij is eigenwijs. Net als Gradus. Die twee pasten bij elkaar.”
„Kende je hem goed?”
„Ik was zestien toen ik hier kwam. Hulpje. Plaatjes invetten, bloemzakken sjouwen. Om half vier 's ochtends op de fiets, in de winter met sneeuw in mijn kraag.” Hij glimlachte. „Gradus heeft me één keer laten huilen. Ik had een hele baktafel roggebrood verpest, omdat ik de oven had laten zakken. Toen heeft hij niks gezegd. Een hele dag niks. Dat was erger dan schreeuwen.”
„En toen?”
„Toen heeft hij me de volgende dag zijn schrift laten zien. Dat ding daar.” Hij knikte naar het blauwe schrift, dat Sanne mee naar beneden had genomen. „Dat liet hij niemand zien. Riek niet eens, in het begin. Daar mocht ik van lezen. Daarna ben ik gebleven. Bijna vijftig jaar. Na Gradus nog zeventien jaar voor Riek, tot ze in maart viel. Mijn rug wilde al jaren niet meer, maar ja.” Hij legde zijn hand op zijn onderrug, zonder erbij na te denken. „Twee hernia's. Ik mag niks meer tillen, zegt de dokter. Thea zegt het ook. Thea zegt het vaker dan de dokter.”
Sanne keek naar het schrift. „Henk is het er niet mee eens dat dit te zoet is,” citeerde ze. „Henk heeft geen smaak.”
Henk lachte, een lage, ronkende lach die door de hele bakkerij ging. „Dat staat er nog in? Die ouwe drammer.” Hij schudde zijn hoofd. „Het wás ook te zoet. Ik had gelijk. Hij heeft het later aangepast, maar dat zette hij er natuurlijk niet bij.”
Ze zwegen even. Ergens buiten blafte zijn hond, die hij aan het hek had vastgebonden.
„Je gaat het verkopen,” zei Henk. Het was geen vraag.
„Dat is het plan.”
„Aan die Arnhemmer.”
„Waarschijnlijk.”
Hij knikte langzaam. Hij was niet boos, zag ze. Hij leek eerder moe, op de manier waarop mensen moe zijn als iets gebeurt wat ze al lang zagen aankomen.
„Dan wil ik één ding vragen,” zei hij. „Laat mij die oven nog één keer aansteken. Voordat ze hem eruit slopen. Ik heb hem in maart uitgezet en ik heb hem geen gedag gezegd. Dat zit me dwars.”
Sanne keek naar hem, naar zijn grote handen op de werktafel.
„Morgen?” vroeg ze.
„Vijf uur,” zei Henk. „En dan bak je mee. Anders heeft het geen zin.”
Om kwart voor vijf stond hij voor de achterdeur, met een thermosfles koffie en een plastic tas met een witte bakkersbroek erin, die hij haar zonder iets te zeggen gaf. Hij was van Riek geweest. Hij zat haar te wijd in de taille en te kort in de pijpen, en Sanne voelde zich er onmiddellijk beter in.
Het aansteken van de Werner duurde drie kwartier. Henk deed het langzaam, met ritueel bijna: eerst de gaskraan bij de meter, dan het waakvlammetje, dan de hendel met ZÜNDUNG, waar hij zachtjes Duits tegen mompelde. Diep in het ijzer klonk een doffe woemf, en toen een gezoem, en daarna niks, alleen warmte die heel langzaam begon te komen, eerst bij de onderste deur, dan hoger.
„Twee uur,” zei Henk. „Voordat hij op temperatuur is. Steen moet warm worden, en steen haast zich niet. Ondertussen maken we deeg.”
Hij liet haar alles zelf doen. Dat was het eerste wat ze begreep: hij raakte niets aan. Hij stond naast de tafel met zijn handen in zijn zakken en zei dingen als „meer” en „wacht” en „voel je dat? Nee? Dan ben je nog niet klaar.” Hij liet haar de Hobart aanzetten, die met een gekreun op gang kwam alsof hij uit een lange slaap werd gewekt, en liet haar het deeg eruit halen en op de tafel slaan, steeds weer, tot haar armen trilden.
„Waarom niet met de machine?”
„Omdat je moet leren hoe het hoort te voelen. Anders weet je niet wanneer de machine liegt.”
Ze bakten eerst gewoon brood. Witte bollen, bruine, een paar casinobroden. Om half acht schoof Henk, met de lange houten schieter, de eerste rij de oven in, en Sanne stond ernaast en keek door het raampje toe hoe de bollen omhoog kwamen, langzaam, als iets wat ademt.
En toen kwam de geur.
Ze kon hem niet beschrijven, later niet en toen niet. Het was niet alleen brood. Het was de steen en het hout van de tafel en de koude ochtend die door de kieren van de achterdeur kwam, en ergens daaronder, vaag, iets wat ze al haar hele leven bij zich droeg zonder het te weten. Ze stond met haar handen vol meel in de bakkerij en kon even niets zeggen.
Henk keek haar aan en zei ook niets. Hij gaf haar alleen een theedoek, omdat er iets over haar gezicht liep wat geen zweet was.
Om negen uur stonden er drie mensen voor het raam.
Om tien uur waren het er zeven. Een vrouw met een rollator, een postbode die zijn fiets tegen de lindeboom had gezet, twee kinderen met schooltassen die duidelijk te laat waren. Ze drukten hun neuzen niet tegen het glas, zoals in een kinderboek. Ze stonden er gewoon, een beetje verlegen, alsof ze per ongeluk bij een begrafenis waren beland en niet wisten of ze moesten blijven.
„We zijn niet open,” zei Sanne door de deur. „Het is... we zijn alleen aan het proberen.”
De vrouw met de rollator keek langs haar heen, naar de rekken achter de toonbank, waar de bollen lagen af te koelen.
„Riek zei altijd,” zei ze, „dat brood dat niet wordt opgegeten een zonde is.”
Henk, achter haar, schoot in de lach.
Ze gaven het weg. Allemaal. Sanne wilde er geld voor vragen, maar ze had geen wisselgeld en de kassa deed niets, dus ze gaf het weg, in papieren zakken die Henk onder de toonbank vond, met het oude logo van G. Wolters & Zn. erop. Iedereen zei dank je wel. Iedereen zei iets over Riek. De postbode, een lange jongen met een ring in zijn oor, zei dat hij al zeven maanden zijn lunch bij een tankstation kocht en dat het niet goed was voor zijn ziel.
Om half twaalf was alles op. Sanne ging op de stoep zitten, in de witte broek van haar oudtante, en voelde zich zo moe als ze in maanden niet was geweest. Maar het was een andere moeheid. Niet de grijze, natte moeheid van haar bank in Amsterdam, waar je moe werd van niets. Dit was moe van iets.
Aan de overkant stond Wessel in de deur van zijn schuur. Hij keek naar haar. Hij stak geen hand op, hij knikte niet. Hij keek alleen, een paar seconden, en ging toen weer naar binnen.
De krentenwegge bakten ze vrijdag.
Henk deed het voor, deze keer, met zijn handen, omdat het anders niet kon, zei hij. Hij liet zien hoe je de krenten welt in warm water, zodat ze vol en glanzend worden en niet verbranden. Hoe je het deeg niet kneedt maar vouwt, als een deken. Hoe je de lange rol vormt op een plank, met een vloeiende beweging, van het midden naar buiten. De wegge was ruim een meter lang toen hij de oven in ging, zo lang dat ze hem met twee schieters moesten inschuiven, zij aan de ene kant en Henk aan de andere, op het ritme van zijn „hup”.
Hij kwam eruit als een goudbruine, glanzende balk, met krenten zo dicht op elkaar dat je ze onder de korst zag zitten, als sterren door een dun wolkendek. Henk klopte op de onderkant. Het klonk hol.
„Zo,” zei hij. „Zo hoort het.”
Ze waren hem net aan het bewonderen, als twee mensen bij een pasgeboren kalf, toen de winkeldeur openvloog en het belletje bijna van zijn haak schoot.
„Hij is er!” Dinie Lammers stond in de deuropening, met haar regenjas half aan en haar ogen vol tranen. „Gisternacht, om tien over drie. Jesse. Zeven pond twee. Mirthe is moe maar ze is goed, Rik is volkomen de kluts kwijt, ik ben oma!”
Ze kwam binnen, omhelsde Henk, wat Henk duidelijk niet gewend was, en omhelsde toen Sanne, die nog meel tot aan haar ellebogen had.
Toen zag ze de wegge.
Ze werd stil. Ze liep er langzaam omheen, met haar handen tegen haar mond.
„Sanne,” zei ze. „Zaterdag is de kraamvisite. Bij Rik en Mirthe, aan de Esweg. Het hele dorp komt. En hier in de Achterhoek, dan breng je... dan breng je een wegge. Dat doe je. Al honderd jaar. De buren brengen hem, op een plank, en dan wordt hij aangesneden en krijgt iedereen een plak. Ik had al gezocht. Ik had een bakker in Aalten gebeld, maar die kon pas maandag.” Ze keek Sanne aan. „Ik weet dat je hier niet voor gekomen bent. Ik weet dat je gaat verkopen. Maar een wegge voor een kraamvisite moet 's ochtends uit de oven komen, anders brengt het ongeluk, zei mijn moeder altijd. Wil je er morgenvroeg nog één bakken? Voor Jesse?”
Henk zei niets. Hij stond met zijn armen over elkaar en keek naar de oven, alsof die het antwoord zou geven.
Sanne dacht aan Van Dalen, die zaterdag zijn bod zou doen. Aan de lijst in haar hoofd: makelaar, notaris, inboedel, terug naar Amsterdam. Aan de bedrijfsarts. Eén ding per dag.
„Eén,” zei ze. „Ik bak er één.”