Hoofdstuk 3: Niet zuinig met de krenten

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

Ruben Esselink droeg puntschoenen die niet gemaakt waren voor de Achterhoek. Dat zag Sanne meteen toen hij om vijf over tien uit zijn zwarte Audi stapte en recht in de modderige berm aan de lindekant terechtkwam. Hij keek naar zijn voet zoals je naar een hond kijkt die iets op het tapijt heeft gedaan.

De man die met hem meekwam, droeg laarzen. Duur, maar laarzen. Hij was een jaar of vijftig, met grijs haar dat zo kort was dat het op een vacht leek, en hij stelde zich voor als Thijs van Dalen, „van de firma, maar zeg maar Thijs”. Hij had een tablet onder zijn arm en de rust van iemand die nog nooit een onderhandeling had verloren waar hij zelf bij was.

„Prachtig,” zei hij, nog voordat hij binnen was. Hij stond op de stoep naar de gevel te kijken. „Negentienelf. Die gevelsteen houden we. Die letters ook, BAKKERIJ, dat is goud. Daar betalen mensen voor.”

„Voor letters?”

„Voor een verhaal.” Hij glimlachte. „Een appartement in de oude dorpsbakkerij. Dat verkoopt zichzelf.”

Sanne tilde de deur op, draaide, duwde. Het belletje rinkelde. Esselink veegde zijn schoen af aan de mat en begon direct te meten, met een laser die rode puntjes op de muren zette. Van Dalen liep langzaam door de winkel en tikte op dingen. Op de toonbank. Op de vitrine. Op het tegeltableau achter de kassa, met een molen en een korenschoof, dat Sanne nog niet eens goed had bekeken.

„Dit kan eruit,” zei hij tegen zijn tablet. „Dit kan eruit. Dit misschien terugplaatsen in de hal, dat is leuk. Dat kan eruit.”

In de bakkerij bleef hij voor de oven staan.

„Wat een beest,” zei hij, bijna liefdevol. „Weet u wat dat kost om eruit te krijgen? Daar moet een gat in de achtergevel voor. Een kraan. Maar goed. Dat zit in de berekening.”

„Hij werkt misschien nog,” zei Sanne. Ze wist niet waarom ze het zei.

Van Dalen keek haar vriendelijk aan. „Vast,” zei hij. „Alles werkt nog, als je er genoeg geld in steekt.”

Ze liepen naar boven. Esselink mat de kamers, Van Dalen stond bij het raam naar de lindes te kijken en zei „balkon” op een toon alsof het al gebouwd was. In de slaapkamer pakte Esselink de leesbril op van het nachtkastje om erachter te kunnen meten, en legde hem daarna op de vensterbank. Sanne liep er na hen naartoe en legde hem terug. Op het puzzelboekje. Bij KANEEL.

Beneden, bij de toonbank, sloeg Esselink zijn map open.

„Ik zal u niet vervelen met de details. Het pand heeft een flinke opknapbeurt nodig. Maar de locatie is uniek en de belangstelling is er. Ik zou de waarde op dit moment rond de tweehonderdzeventig, tweehonderdtachtig zetten. De heer Van Dalen wil u binnenkort een concreet bod doen, zonder voorbehoud van financiering. Dat is in deze markt...” Hij maakte een gebaar dat uitzonderlijk betekende.

„Wanneer?” vroeg Sanne.

„Zaterdag,” zei Van Dalen. „Ik wil eerst nog wat rekenen.” Hij keek op zijn telefoon. „Ik begrijp dat er in het dorp wat... gevoelens zijn. Daar heb ik alle begrip voor. Maar een coöperatie met vrijwilligers, mevrouw De Groot, dat gaat geen tweehonderdtachtigduizend euro ophalen. Dat gaat ook geen bakkerij draaiende houden. Dat heb ik in Gelderland vaker zien gebeuren. Twee jaar enthousiasme, dan een faillissement, en dan staat het pand weer leeg. Maar dan ouder.”

Hij zei het niet onaardig. Dat maakte het erger.

Toen ze weg waren, de Audi met een spatje modder over de Brink, stond Sanne in de lege winkel en voelde ze iets wat ze niet kon thuisbrengen. Opluchting, dacht ze eerst. Het ging snel. Het ging zoals het moest gaan. Over een maand kon ze terug naar Amsterdam met een bankrekening waar ze een jaar huur van kon betalen, en meer.

Maar het voelde niet als opluchting. Het voelde alsof ze iets had laten vallen en het niemand had zien oprapen.


De voordeur moest gemaakt worden. Dat had Esselink gezegd, terloops, met zijn hand op het kozijn: „Dit soort dingen, daar struikelen kijkers over. Laat het even doen, kost niks.” Dus liep Sanne 's middags over de Brink naar de schuur, waar de machine weer zeurde.

Wessel stond nu bij een andere werkbank en schuurde iets wat op een trapleuning leek, met lange, gelijkmatige halen. Hij keek niet op.

„De voordeur,” zei ze. „Kun jij die maken?”

„Ja.”

„Wanneer?”

„Nu, als je wilt.”

Dat had ze niet verwacht. Hij legde het schuurpapier neer, pakte een gereedschapskist en liep voor haar uit over het gras, in zijn groene werkjas, zonder om te kijken of ze volgde.

Bij de deur zakte hij op zijn hurken, voelde met zijn duim langs de onderkant, tikte tegen het hout, luisterde, als een arts met een stethoscoop.

„Scharnier is uitgezakt,” zei hij. „En het kozijn is gaan werken. Riek liet het zo. Ze vond dat het belletje dan beter klonk.”

„Dat meen je niet.”

„Dat zei ze.” Hij schroefde het bovenste scharnier los. „Die meneer van Dalen. Was die tevreden?”

„Hij doet zaterdag een bod.”

Wessel zei niets. Hij bekeek het scharnier, gooide het in zijn kist, pakte een nieuw.

„Je vindt het niet goed,” zei Sanne.

„Het is jouw pand.”

„Dat is geen antwoord.”

„Het is wel het antwoord.” Hij zette een schroef aan, draaide hem met een paar korte, harde slagen vast. „Ik heb er niks over te zeggen. Dinie heeft er wat over te zeggen, want Dinie heeft overal wat over te zeggen. Maar ik? Ik maak alleen de deur.”

Hij tilde de deur een paar millimeter op en zette hem terug, opende en sloot hem. Hij ging open zonder klemmen. Het belletje rinkelde, dunner nu, minder vol. Wessel keek er even naar, omhoog.

„Hm,” zei hij.

„Wat?”

„Niks. Het klinkt anders.”

Hij pakte zijn kist op. Ze wilde vragen wat ze hem verschuldigd was, maar hij was al halverwege de Brink, en ze hoorde hem nog net zeggen, tegen niemand in het bijzonder: „Zo doe je dat dus.”


Die avond, met de ketel brommend en het schrift opengeslagen op de keukentafel, besloot Sanne een krentenwegge te bakken.

Ze wist niet precies waarom. Het was een klein ding, een ding voor één dag, zoals de bedrijfsarts had gezegd. En misschien ook omdat er met potlood in de kantlijn Ze was er gek op stond, en omdat ze zich niet meer kon herinneren dat ze ooit ergens gek op was geweest.

Ze reed naar de supermarkt in Lichtenvoorde. Bloem, gist, boter, melk, suiker, eieren, een zak krenten, een zak rozijnen, sukade. Bij de kassa zag ze de prijs en dacht ze aan wat een wegge bij de bakker zou kosten, en ze bedacht dat ze waarschijnlijk drie keer zoveel kwijt was. Het maakte niet uit. Het voelde bijna rebels.

Het recept was een ramp om te lezen. Bloem: een flinke kom, de blauwe. Gist: zoals altijd, maar bij koud weer iets meer. Krenten: niet zuinig. Er stonden wel getallen, maar die waren voor een hele baktafel vol, voor tien weggen tegelijk, in kilo's, en ze moest alles delen door tien terwijl de oorspronkelijke getallen al waren doorgekrast en verbeterd, twee keer, door twee verschillende mensen.

Ze rekende het uit op haar telefoon. Ze kneedde het deeg in de keuken boven, op het aanrecht, met haar mouwen opgestroopt. Het plakte aan haar vingers, aan het aanrecht, aan haar telefoon toen ze iets wilde opzoeken. Ze voegde bloem toe. Het werd droog en scheurde. Ze voegde melk toe. Het werd weer plakkerig. Ze kneedde tot haar onderarmen brandden, en toen nog tien minuten, omdat het schrift zei tot het glanst en het niet glansde.

Ze liet het rijzen onder een theedoek naast de ketel. Na een uur was er niets gebeurd. Na twee uur een beetje. Ze werkte de krenten erdoor, niet zuinig, zoals het hoorde, tot het deeg meer krent dan deeg leek, en vormde er een lange rol van, zo lang als Rieks bakplaat.

Toen moest ze beslissen of ze de grote oven aanstak.

Ze stond er een kwartier voor, beneden, met het licht aan. Er zaten knoppen op, een gaskraan, een hendel waarop ZÜNDUNG stond. Er hing een geplastificeerd kaartje naast met instructies, maar dat was door vet en tijd onleesbaar geworden. Ze durfde het niet. Ze zag zichzelf al in de krant: Amsterdamse vrouw blaast dorpsbakkerij op. Dus schoof ze de wegge in het kleine ovenje boven, het keukenovenje van Riek, waar hij eigenlijk niet in paste, zodat ze hem in een bocht moest leggen, als een slang.

Na veertig minuten rook de keuken naar verbrande suiker. Ze trok de deur open. De bovenkant was zwart. De onderkant was zwart. Toen ze hem brak, was het midden nog nat en bleekgeel, en de krenten waren aan de buitenkant geknapt als kleine zwarte popcorntjes.

Sanne ging op de keukenvloer zitten, met haar rug tegen het aanrecht en de verbrande slang op een snijplank op haar schoot, en lachte. Ze lachte zo hard dat het pijn deed aan haar ribben, en toen huilde ze, kort en heftig, en toen lachte ze weer, omdat het zo belachelijk was, een volwassen vrouw met een master in communicatiewetenschap die niet eens een krentenbrood kon bakken.

Er werd op de winkeldeur geklopt.

Ze veegde haar gezicht af aan haar mouw en liep naar beneden. Het was kwart over negen. Achter het glas stond een oudere man met een pet en een windjack, schouders iets scheef, alsof hij de ene kant van zijn lichaam niet helemaal vertrouwde. Hij keek naar boven, naar de walm die uit het keukenraam kwam.

Ze deed open. De deur klemde niet. Het belletje rinkelde dun.

De man snoof één keer, diep, en schudde zijn hoofd.

„Je hebt de verkeerde oven aangestoken,” zei hij.