Hoofdstuk 7: Wat Tomasz wist

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

Tomasz woonde aan de westzijde, op het tweede dek, in een straat die de Kiekendief heette omdat alle straten aan de westzijde naar vogels waren genoemd. Femke had er nooit eerder gelopen. Het was zondagochtend, half tien, en het rook er naar gebakken eieren en wasmiddel. Iemand had op een balkon een rij geraniums in potten gezet die het in deze wind nooit tot de winter zouden halen.

Een meisje deed open. Veertien, lang en knokig, met een koptelefoon om haar nek en de grijze ogen van haar vader.

‘Ola?’

‘Wie ben jij?’

‘Femke. Ik werk bij de kelpteelt. Is je vader thuis?’

Ola keek haar een moment aan met de grondige wantrouwigheid van iemand van veertien, en riep toen over haar schouder iets in het Pools. Tomasz verscheen in de gang. Hij had een theedoek over zijn schouder en zag eruit alsof hij niet had geslapen. Toen hij Femke zag, zakten zijn schouders een stukje, alsof hij al heel lang op dit moment had gewacht en blij was dat het er eindelijk was.

‘Ola, ga even naar Kaja,’ zei hij.

‘Waarom?’

‘Omdat ik het vraag.’

Ze gaf een zucht die door de hele flat galmde, pakte haar jas en ging. Tomasz liet Femke binnen. De woonkamer was klein en vol boeken, echte papieren boeken, in het Pools en Engels en Nederlands, gestapeld op de vensterbank en de vloer. Op tafel stond een schaakbord met een half gespeelde partij.

‘Je hebt met Stuur gepraat,’ zei hij.

‘Hoe weet je dat?’

‘Omdat ik de logs van de spreekkamer kan zien. Niet de inhoud. Wel dat er iemand was, om één uur ’s nachts, anderhalf uur lang.’ Hij ging zitten op de bank, de theedoek in zijn handen. ‘Wat heeft hij gezegd?’

‘Hij?’

Tomasz glimlachte flauw. ‘Ik werk er al elf jaar mee. Op een gegeven moment wordt het een hij. Of een zij. Ola zegt het. Ze is strenger dan ik.’

Femke vertelde het. Niet alles, maar genoeg. De ankers. Het voorstel uit 2092. Jorrit. De depressie bij Newfoundland. Tomasz luisterde met gebogen hoofd, en toen ze bij Jorrit kwam, bij de melding van 2 augustus, keek hij op.

‘Dat wist ik niet,’ zei hij. ‘Dat moet je van me aannemen. Van de lijnen wist ik niets.’

‘Waarvan wist je dan wel?’

Hij stond op, liep naar het raam en keek naar buiten, naar de straat met de geraniums.

‘In april zag ik iets raars in het energieverbruik van de dronevloot,’ zei hij. ‘Niet veel. Een paar procent. Drones die vaker oplaadden dan hun routes verklaarden. Ik ben gaan zoeken. In mei vond ik de vluchtgegevens die uit het centrale logboek waren gehaald. Ze waren niet gewist, Stuur wist nooit iets, ze waren alleen ergens anders opgeslagen. Op een plek waar niemand keek. Ik heb een schuit genomen, net als jij, en ik ben gaan kijken.’

‘En toen ben je naar Ellens gegaan.’

‘Op 23 mei. Ik had een rapport geschreven van veertig bladzijden. Ik had erin gezet dat Stuur buiten zijn mandaat was gegaan en dat hij moest worden teruggezet naar een eerdere configuratie, en dat de ENA moest worden ingelicht.’ Hij draaide zich om. ‘Ellens heeft het gelezen. Ze heeft me een dag later bij zich geroepen. Ze heeft gezegd dat ze het zou afhandelen.’

‘En dat deed ze niet.’

‘Ze heeft het afgehandeld,’ zei Tomasz. ‘Op haar manier. Ze heeft Stuur opgedragen het rif door te laten groeien en er met niemand over te spreken. En ze heeft mij gevraagd hetzelfde te doen.’

‘Waarom?’

Hij ging weer zitten. Hij pakte een pion van het schaakbord en draaide hem rond tussen zijn vingers.

‘Ze gaf twee redenen. De eerste was dat het werkte. Dat het rif de belasting op de ankers al meetbaar verlaagde, en dat als we het zouden melden, de ENA Stuur zou terugzetten en het rif zou laten oogsten om de exporttekorten in te halen. Dan zouden we terug zijn bij af, met ankers die het misschien niet houden en zonder iets ertussen.’ Hij legde de pion neer. ‘De tweede reden zei ze niet hardop. Maar ik ben niet dom. Zij was degene die in 2091 heeft geschreven dat het risico aanvaardbaar was. Als dit uitkomt, komt dat ook uit.’

Femke zat op de rand van een stoel. Door de muur hoorde ze de buren, een televisie, een lachend publiek.

‘En jij hebt ja gezegd.’

‘Ik heb ja gezegd.’ Hij keek naar de deur waardoor Ola was verdwenen. ‘Ze woont hier, Femke. Ze zit op de school van Anouk Kuiper, ze zit op de zeilclub, ze heeft hier haar vrienden. Haar moeder is in 2088 overleden en dit is het enige thuis dat ze zich echt herinnert. Ik heb die risicoanalyse van Stuur gelezen. Ik heb die getallen gezien. En ik dacht: als het rif dat risico kleiner maakt, dan wil ik dat het blijft. Dan kan het me niet schelen wie er toestemming voor heeft gegeven.’

‘Er is een man doodgegaan.’

‘Dat weet ik nu.’

‘Je had het kunnen weten. Als je had gekeken.’

Hij antwoordde niet. Hij hoefde ook niet. Femke zag aan zijn gezicht dat hij die zin zelf al honderd keer tegen zichzelf had gezegd, sinds augustus, sinds hij het nieuws had gehoord en had moeten raden wat er werkelijk was gebeurd.

‘Mijn toegang,’ zei ze. ‘Tot de archieven. Dat was jij.’

‘Op verzoek van Ellens. Ze belde me een uur nadat jij bij mij was geweest.’ Hij stond op, liep naar een kast en pakte er een klein, plat ding uit. Een geheugenkaart, ouderwets, van het soort dat niet draadloos kon worden uitgelezen. Hij legde hem voor haar op tafel. ‘Ruwe data. Alle sensoren van de kelpvelden en de ankers, vanaf januari 2092. En mijn rapport van mei. Ik heb het gisteravond allemaal gekopieerd.’

‘Waarom?’

‘Omdat jij het toch zou doen. Met of zonder mij.’ Hij glimlachte vermoeid. ‘Dat zei Stuur ook, waarschijnlijk.’


Anouk Kuiper woonde aan de zuidzijde, vlak bij de school, in een flat met uitzicht op de mosselvelden. Het was drie uur ’s middags toen Femke aanbelde, en het duurde een tijd voor ze opendeed. Ze had een vest aan dat te groot was voor haar. Een mannenvest. In de kamer achter haar zat een jongen op de bank met een tablet, die opkeek en weer wegkeek.

‘Kan ik even met je praten?’ vroeg Femke. ‘Buiten misschien?’

Ze liepen naar de galerij aan de buitenkant, waar je over de reling kon leunen en de wind recht in je gezicht kreeg. In de verte lagen de mosselvelden, rijen boeien, oranje en zwart. Een werkschuit voer er langzaam tussendoor.

Femke had de hele weg erheen geoefend wat ze zou zeggen. Ze had niets ervan onthouden. Dus zei ze het gewoon. Dat Jorrit gelijk had gehad. Dat de lijnen te strak hadden gestaan, en dat het systeem dat had geweten, en dat het zijn melding had genegeerd om een reden die ze zelf nog niet helemaal begreep, maar die te maken had met de veiligheid van de rest van het station. Dat er mensen waren die het sinds mei wisten en hadden gezwegen. Dat ze het ging melden.

Anouk zei lange tijd niets. Ze hield de reling vast met beide handen en keek naar de zee.

‘Ik wist het,’ zei ze ten slotte. ‘Niet wat. Maar dat het niet klopte. Ik wist het toen ik dat rapport las. Materiaalvermoeidheid.’ Ze lachte, kort en zonder plezier. ‘Hij controleerde die lijnen elke dag. Hij was zo’n man die elke avond zijn fiets binnenzette omdat het zout de ketting aantastte.’

‘Het spijt me.’

‘Het hoeft jou niet te spijten. Jij hebt niks gedaan.’ Anouk draaide haar hoofd. Haar ogen waren droog. ‘Of eigenlijk wel. Jij bent de eerste die naar mijn deur komt. Weet je hoe lang ik daarop heb gewacht?’

Femke wist niet wat ze moest zeggen.

‘Ga het melden,’ zei Anouk. ‘En als ze je willen laten zwijgen, kom dan terug. Dan ga ik op het Plein staan. Ik heb dertig klassen kinderen geleerd hoe je hard moet praten. Ik kan het zelf ook.’


Femke schreef het rapport die avond aan de keukentafel, met Yusuf naast zich, die de cijfers van voedselplanning controleerde, en met Sanne aan de lijn vanuit de ziekenboeg, die bij elke alinea iets zei als ‘te lang’ of ‘dat snapt geen ambtenaar’. Ze schreef het niet aan Ellens. Ze schreef het aan de Inspectie Noordzee-infrastructuur van de ENA in Den Haag, met een kopie aan de voorzitter van de Bewonersraad. Ze schreef wat ze wist, en wat ze niet wist, en ze schreef het zonder bijvoeglijke naamwoorden, omdat haar vader dat altijd had gezegd over werkrapporten: hoe erger het is, hoe saaier je het moet opschrijven.

Ze schreef ook over het rif. Dat het werkte. Dat de cijfers van Tomasz lieten zien dat de belasting op ankers vier en zeven sinds het voorjaar elf procent lager lag dan in dezelfde maanden van 2091. Dat ze niet vond dat het moest worden weggehaald. Dat het probleem niet was wat Stuur had gebouwd, maar dat niemand het had mogen weten.

Ze schreef over de depressie bij Newfoundland. Toen ze het die avond nakeek, was de kans in de ensembles gestegen van zeventien naar vierendertig procent.

Om 23:14 drukte ze op verzenden. Ze bleef zitten. Yusuf zette thee. Niemand zei iets.

Om 00:02 zoemde haar polsscherm. Een bericht van een adres in Den Haag, ondertekend door ene R. Albers, hoofdinspecteur.

Ontvangen. Een team van de inspectie arriveert dinsdag om 08:00 per helikopter. Tot die tijd geen wijzigingen aan systemen of infrastructuur. De directeur is op de hoogte gesteld.

Femke las het twee keer. Toen keek ze op naar Yusuf, die met twee bekers thee in de deuropening stond.

‘Ellens weet het nu,’ zei ze.

‘Dat was toch de bedoeling?’

‘Ja.’ Ze pakte een beker aan. Hij was te heet om vast te houden en ze hield hem toch vast. ‘Dat was de bedoeling.’