Verhaal 1: De baard

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

De baard kriebelde al voordat hij hem op had. Tobias Lindeman zat op de bank van zijn flat in Noord met het ding op zijn knieën en plukte er een haar uit die eruitzag alsof hij van een kat was. Het pak hing over de deur van de badkamer, rood met goud, gehuurd voor honderdtwintig euro bij een feestwinkel in Osdorp. De mijter lag op tafel naast zijn cellokoffer, die al drie maanden niet meer open was geweest.

Drie adressen vanavond. Eerst een bedrijfsborrel in een kantoor aan de Westerdoksdijk, dan een gezin aan de Bloemgracht, dan nog een gezin in de Pijp. Zeventig euro per adres, contant. Zijn zus had het geregeld via een vriendin die het al jaren deed en die dit jaar met haar rug lag.

„Je hebt een mooie stem,” had zijn zus gezegd. „En je bent goed met kinderen.”

Dat laatste was niet waar. Hij was goed met kinderen van vier of jonger, die nog niets vroegen. Bij oudere kinderen voelde hij zich altijd een beetje betrapt.

Om vijf uur trok hij het pak aan. Hij hield zijn spijkerbroek eronder aan, en zijn wollen sokken, en zijn eigen zwarte schoenen, die volgens de vriendin met de rug niemand zou zien. In de spiegel van de lift leek hij op een man die zich had verkleed als een gordijn.


Op de pont was het druk. Het was zaterdag, vijf december, en half Noord ging naar de stad of kwam ervandaan. Fietsers met tassen vol pakpapier, een groep jongens met een speaker, een vrouw met een kerstboom onder haar arm die zo vroeg in december al half kaal was. Tobias stond tegen de reling met de mijter in een plastic tas van de Albert Heijn, omdat hij die niet op wilde zetten voordat het moest.

Toch keken mensen. Het rood viel op onder zijn winterjas. Een man met een bakfiets knikte naar hem.

„Zware avond?”

„Drie adressen.”

„Respect,” zei de man, en hij meende het, leek het.

In het stuurhuis stond een vrouw met een lange grijze vlecht over haar schouder. Ze keek niet naar de passagiers maar naar het water, naar de rondvaartboot die van links kwam en die ze met een kleine draai aan het roer liet passeren. Tobias zag haar iets zeggen tegen de jongen die naast haar stond, en de jongen lachte.

Het IJ was zwart en glanzend. Achter hem lag Noord, met de A'DAM Toren, waar bovenin de lichtjes al draaiden, en voor hem het Centraal Station, oranje verlicht, groter dan het van dichtbij leek. Hij dacht aan het orkest. Aan de laatste repetitie in juni, toen de dirigent hen had toegesproken over subsidies en ‘een nieuwe fase’. Achttien jaar had hij in de cellogroep gezeten, vierde lessenaar, buitenkant. Niemand had ooit zijn naam gevraagd na een concert, en hij had dat nooit erg gevonden. Het was juist prettig geweest, opgaan in iets groters.

Nu ging hij op in een pak van honderdtwintig euro.


De borrel aan de Westerdoksdijk duurde veertig minuten. Er waren zes kinderen, de oudste was tien en vroeg hem waarom hij Nikes droeg. Het waren geen Nikes, maar Tobias zei dat de Sint met zijn tijd meeging, en dat werd goedgekeurd. Een man in een colbert zonder das gaf hem een envelop en een glas witte wijn dat hij niet mocht opdrinken omdat hij nog moest werken.

„Je doet het goed,” zei de man. „Vorig jaar hadden we er een die dronken was.”

Tussen de adressen in liep hij door de Haarlemmerbuurt met zijn jas dicht.

De Bloemgracht was stil. Het water lag er roerloos bij, de huizen waren smal en hoog, en achter de ramen op de eerste verdieping van nummer zoveel brandde een lamp met een kap van rood glas. Er hing een papieren schoen achter het raam. Tobias zette de mijter op, schoof de baard recht en belde aan.

De vader deed open, een lange man met een bril die op zijn voorhoofd stond. Hij fluisterde: „Ze zitten boven. Mila is zes, Joep is drie. De cadeaus staan in de zak achter de deur. Mila heeft een gedicht geschreven, ze wil het voorlezen. Graag even reageren.”

„Natuurlijk.”

„Ze is... ze vraagt veel.”

De trap was zo steil dat Tobias zich aan het touw moest optrekken. De zak met cadeaus sleepte hij achter zich aan. Boven was het warm. Er rook het naar pepernoten en sinaasappel, en ergens speelde een radio met Sinterklaasliedjes die zachtjes stonden, alsof iemand zich er een beetje voor schaamde.

Joep zat op schoot bij zijn moeder en begon meteen te huilen. Dat was in orde. Dat kende Tobias. Mila zat op de bank met haar knieën opgetrokken en keek naar hem zonder iets te zeggen. Ze had donker haar in twee vlechten, en een rode want aan één hand. Alleen aan één hand.

„Dag Mila,” zei Tobias, met de stem die zijn zus mooi vond.

„Dag Sinterklaas.”

„Ik hoorde dat je een gedicht hebt gemaakt.”

Ze knikte. Ze haalde een papiertje uit haar mouw, vouwde het open en las het voor, langzaam, met haar vinger onder de regels. Het ging over een paard dat niet over het dak durfde, omdat het hoogtevrees had, en dat daarom liever met de pont ging. Het rijmde niet helemaal, maar het einde was goed: het paard kwam toch aan, alleen later.

Tobias lachte, echt. Hij zei dat het een van de beste gedichten was die hij dit jaar had gehoord, en dat Amerigo inderdaad soms bang was op hoge daken, maar dat hij dat nooit aan iemand vertelde.

Mila keek naar hem. Toen zei ze: „Jij bent niet Sinterklaas.”

De vader schraapte zijn keel. De moeder zei: „Mila...”

„Jij bent die meneer van de pont,” zei Mila. „Jij stond vanmiddag bij het hek. Jij had een Appie-tas.”

Het werd stil in de kamer. Joep huilde niet meer, hij keek naar zijn zus met grote ogen. Tobias voelde de baard tegen zijn kin en tegen zijn mond, de haren die in zijn mondhoeken prikten. Hij had haar niet gezien vanmiddag. Hij had naar het water gekeken.

Hij kon iets verzinnen. Dat Sinterklaas ook weleens met de pont ging, incognito. Dat zou in een gedicht passen. Maar Mila zat er zo rechtop bij, met haar ene want, en ze keek niet boos of teleurgesteld. Ze keek alsof ze iets wilde weten en daar recht op had.

„Ik heb mijn andere want verloren,” zei ze. „Op de pont. Toen we terugkwamen van oma. Heb jij die gezien?”

„Nee,” zei Tobias. „Die heb ik niet gezien.”

„Hij is rood. Zoals deze.”

„Ik zal uitkijken,” zei hij. „Als ik straks terugga.”

Ze knikte, alsof dat een afspraak was. Toen vouwde ze haar gedicht weer op en gaf het aan hem. „Dan mag je dit houden.”

De vader liep met hem mee naar beneden. In het smalle halletje, bij de fietsen, haalde hij een envelop uit zijn achterzak.

„Sorry,” zei hij. „Ze is heel...”

„Ze heeft gelijk,” zei Tobias.

„Ja. Dat is het probleem.” De vader glimlachte vermoeid. „Vorig jaar heeft ze de piet van de school ontmaskerd omdat hij hetzelfde horloge had als de gymleraar. Ze heeft het niemand verteld. Alleen mij. Ze wilde dat ik wist dat zij het wist.”

„Dan is dit van mij ook veilig, denk ik.”

„Ik denk het ook.”


Het derde adres in de Pijp ging zonder problemen. Drie kinderen, allemaal onder de vijf, een moeder die drie keer bedankte, een oma die hem een kop koffie met een speculaasje gaf en vroeg of hij zijn paard niet koud liet staan. Tobias deed zijn werk. Hij zong mee met een liedje waarvan hij de tekst niet meer wist, hij deelde uit, hij liet de jongste aan de staf voelen. Het was goed. Het was zelfs bijna leuk. Maar hij dacht de hele tijd aan het papiertje in zijn binnenzak.

Om tien uur stond hij weer op de pont. Hij had het pak nog aan, de mijter in de tas, de baard in zijn jaszak. Het was rustiger nu. Een stel met een kinderwagen, twee meisjes die frietjes deelden uit één bakje, een man met een gitaarkoffer die in slaap leek te vallen tegen de wand. De motor bromde, het dek trilde onder zijn voeten.

Hij liep langzaam langs de reling, en toen langs de bankjes, en toen langs de hoek waar de fietsen stonden. Hij voelde zich een beetje belachelijk, een man van eenenveertig in een Sinterklaaspak die over de vloer van een pont tuurde.

Bij het stuurhuis stond de vrouw met de grijze vlecht. Ze had de deur op een kier, en ze keek naar hem.

„Kwijt?” vroeg ze.

„Een kinderwant. Rood. Vanmiddag verloren.”

Ze dacht na. Toen stak ze haar hand naar achteren, in een bak die tegen de wand hing, en haalde er een klein rood dingetje uit. Het was nat geweest en weer opgedroogd, de wol was een beetje stug. Op de rug zat een sneeuwvlok, wit geborduurd.

„Lag bij het hek,” zei ze. „Ik bewaar altijd alles een paar dagen. Mensen komen terug, meestal.”

Tobias pakte de want aan. Hij was zo klein dat hij in zijn handpalm verdween.

„Ik weet niet zeker of het de goeie is,” zei hij.

„Hoeveel rode kinderwanten denk je dat ik vandaag gevonden heb?”

„Eén.”

„Nou dan.” Ze keek naar zijn pak, naar de rode broekspijpen die onder zijn jas uitstaken, naar zijn zwarte schoenen. „Werk?”

„Werk.”

„Ik heb het ook gedaan, één keer. In '98. De baard bleef aan mijn lippenstift plakken.”

Hij lachte. Ze lachte niet, maar haar ogen deden iets.

„Hennie,” zei ze.

„Tobias.”

„Ik hang hem wel op, als je wilt. Bij het hek. Dan ziet de eigenaar hem.”

Tobias dacht na. Hij kon terug naar de Bloemgracht. Het was een half uur fietsen, heen en terug. Hij kon aanbellen in zijn pak, zonder baard, met de want. Mila zou al slapen. Of niet. Hij wist niet zeker of de vader dat op prijs zou stellen, een man die op pakjesavond om elf uur ’s avonds aanbelt. En hij wist niet zeker wat hij zelf wilde: of hij haar de want wilde teruggeven als Sinterklaas of als de man van de pont. Hij had het gevoel dat het verschil voor Mila heel belangrijk zou zijn, en dat hij het zou verpesten, wat hij ook koos.

„Hang hem maar op,” zei hij. „Dan ziet ze hem. Ze komt hier vaker, denk ik. Haar oma woont in Noord.”

Hennie nam de want terug. Ze stapte uit het stuurhuis, liep naar het hek aan de voorkant, waar de pont straks zou aanmeren, en schoof de want over een van de spijlen. Daar hing hij, klein en rood, met de sneeuwvlok naar buiten.


Thuis trok Tobias het pak uit en hing het over de badkamerdeur. Hij legde de baard op tafel, naast de cellokoffer. Hij haalde het papiertje uit zijn binnenzak en las het gedicht nog een keer. Het paard was bang voor het dak / het nam de pont, heel gemak / het kwam pas om elf uur aan / maar het kwam wel, zo is het gegaan.

Hij zat een tijd te kijken naar de koffer. Toen maakte hij de sloten open, die stroef gingen, en haalde de cello eruit. De snaren waren ontstemd, de C-snaar bijna een hele toon te laag. Hij stemde langzaam, met zijn oor dicht bij het hout. Zijn vingers waren koud en stijf.

Het was half twaalf. De buren zouden klagen. Hij speelde toch, heel zacht, met de demper erop. Geen Bach, niets wat hij vroeger op concours had gespeeld. Gewoon een melodie die hij niet kende en die hij ter plekke maakte, en die een beetje klonk als iets dat te laat aankomt, maar wel aankomt.

Buiten, over het water, voer de pont nog steeds heen en weer. Hij kon de lichtjes zien vanaf zijn balkon, als hij zijn hoofd ver genoeg uitstak. Ergens op dat dek hing een rode want aan een hek, en wachtte.