Hoofdstuk 1: De sleutel
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
De brief van de notaris lag al drie weken onder de fruitschaal. Sanne had hem één keer gelezen, op de dag dat hij kwam, en daarna had ze er een appel op gelegd, toen nog een, en uiteindelijk een tros bananen die nu bruin werd. Het was niet zo dat ze de brief vergeten was. Ze wist precies waar hij lag. Ze keek er alleen niet naar.
Dat was een van de dingen die ze geleerd had in de zeven weken sinds ze op een dinsdagochtend in augustus op de wc van Brightwave had gezeten, met haar laptop op haar knieën, en niet meer had kunnen opstaan. Niet omdat haar benen het niet deden. Haar benen deden het prima. Ze had alleen geen enkele reden kunnen bedenken om ze te gebruiken.
„Je hoeft niet alles tegelijk,” had de bedrijfsarts gezegd, een vriendelijke man met een trui die hij duidelijk zelf niet had uitgekozen. „Eén ding per dag. Kleine dingen.”
Dus deed Sanne kleine dingen. Ze liep 's ochtends een rondje door het Flevopark, langs de eenden en de hardlopers met hun dure horloges. Ze kookte soep van een pakje. Ze keek series waarvan ze na afloop niet meer wist hoe ze heetten. En ze legde fruit op een brief.
Op zondagavond, 4 oktober, pakte ze de brief toch onder de bananen vandaan. Haar moeder had gebeld, voor de derde keer die week.
„Heb je die notaris nou al teruggebeld?”
„Nog niet.”
„Sanne. Het is een pand. Het staat leeg. Elke maand dat het leeg staat, kost het geld.” Ellen de Groot had een stem die geschikt was voor het voorlezen van parkeerboetes. „Bel die makelaar, laat het taxeren en verkoop het. Je hebt het geld straks hard nodig, als je nog maanden thuis zit.”
„Ik zit niet thuis. Ik ben aan het herstellen.”
„Thuis,” zei haar moeder. „Herstellen. Voor de huur maakt het niet uit.”
Daar had ze gelijk in, en dat was het vervelende aan haar moeder: ze had bijna altijd gelijk op een manier waar je niets aan had.
De brief was kort. Nalatenschap van mevrouw H. Wolters-Bosman, overleden 30 augustus jongstleden te Lichtenvoorde. U bent aangewezen als enig erfgenaam van het woon-winkelpand Brink 4 te Ellekamp, gemeente Oost Gelre, met de daarbij behorende inventaris. Daaronder een telefoonnummer, een handtekening die op een kapotte paperclip leek, en een PS in pen: De sleutel ligt bij de buurman, dhr. W. Hoftijzer.
Tante Riek. Ze had haar voor het laatst gezien toen ze een jaar of twaalf was. Daarna waren er alleen nog kaarten geweest, elk jaar met haar verjaardag, in een handschrift dat steeds schever werd. Een tientje erin, later een briefje van twintig euro. Lieve Sanne, word maar wat je wilt, als je er maar zelf bij blijft. Ze had nooit teruggeschreven. Ze had het een paar keer van plan gehad.
De huurauto was een grijze Toyota Yaris die naar dennengeur en andermans koffie rook. Om half tien reed ze de stad uit, over de A1, en bij Deventer begon het te regenen. Niet het soort regen dat je ziet aankomen, maar het soort dat er altijd al geweest lijkt te zijn: grijs, hardnekkig, zonder begin. De ruitenwissers tikten. De radio praatte over files bij Apeldoorn.
Na Zutphen werd het landschap anders. Smaller. De wegen kregen bochten zonder reden, er stonden eiken langs, maïsvelden die al geoogst waren en nu als stoppelbaarden in de modder lagen. Boerderijen met rode luiken en groene deuren, een bord Verse eieren met een pijl, een kraampje met pompoenen en een melkbus voor het geld. Haar navigatie zei twee keer „herberekenen” op een toon die haar beviel.
Ze herkende niets en toch alles. Dat was het rare. Toen ze de afslag Ellekamp nam, wist ze voordat ze het zag dat er een kapel zou staan, een klein wit ding met een ijzeren hekje, en daar stond hij. Ze wist dat de weg daarna omlaag zou gaan, over een beek die nauwelijks een beek was, en dat je dan de kerktoren zag. Twaalf zomers lang had ze op de achterbank gezeten, met haar oma Ans achter het stuur, die bij elke bocht „hup” zei.
Ellekamp bestond uit drie straten die elkaar ontmoetten op de Brink, een driehoek van gras met zes lindebomen die er uitzagen alsof ze al lang hadden besloten wie hier de baas was. Aan de ene kant de Sint-Joriskerk, grijs en stevig. Aan de andere kant café-zaal De Zwaan, met een krijtbord buiten waarop Schnitzeldag do stond. Daarnaast een pand met lege etalages en de resten van een Spar-logo, alsof iemand de letters eraf had gekrabd en halverwege moe was geworden.
En op de hoek, met de punt van het gebouw naar de lindes gekeerd: Bakkerij Wolters.
Sanne parkeerde voor de deur en bleef zitten. De regen liep in strepen over de voorruit, zodat het pand golfde. Rode baksteen, een gevelsteen met 1911 erin, twee grote ramen met daarboven in sierlijke gouden letters BAKKERIJ en in kleinere letters G. Wolters & Zn., hoewel er voor zover zij wist nooit een zoon was geweest. In het raam hing een vergeeld kartonnen bordje: Wegens omstandigheden gesloten. Dank voor uw klandizie. Iemand had er met potlood onder geschreven: Beterschap Riek! En daaronder, in een ander handschrift, later: Rust zacht.
Ze moest de sleutel halen. Bij de buurman.
Recht tegenover de bakkerij, aan de overkant van de Brink, stond een oude schuur met een nieuwe zinken goot. De grote deuren stonden half open. Er brandde licht binnen, en ze hoorde een machine, een hoog, zeurend geluid dat steeds even ophield en dan weer begon. Op een bordje naast de deur stond Timmerwerk Hoftijzer. Geen logo, geen website. Haar marketingbrein noteerde het automatisch, en ze schaamde zich er een beetje voor.
Ze trok haar capuchon op en liep over het natte gras. Haar sneakers waren na tien stappen doorweekt.
Binnen rook het naar hout en olie en iets wat ze niet kon thuisbrengen, iets zoets, misschien lijm. Er stonden werkbanken, er hingen gereedschappen aan de muur in keurige rijen, met de omtrek van elk stuk getekend op het hout erachter. Aan de achterkant stond een man over een plank gebogen. Hij had een gehoorbeschermer op en een stofmasker voor en zag haar niet.
„Hallo?”
Niets. De machine zeurde verder.
„Hállo!”
Hij keek op, zette de machine uit en trok het masker naar beneden. Een smal gezicht, een baard van een paar dagen, zaagsel in zijn wenkbrauwen. Midden dertig, schatte ze, misschien iets ouder. Hij keek naar haar zoals je naar een pakketbezorger kijkt die bij de verkeerde deur staat.
„Ik ben Sanne de Groot,” zei ze. „Van... ik ben de nicht van mevrouw Wolters. Haar achternicht. De notaris zei dat u de sleutel had.”
„Jij bent Sanne.”
„Ja.”
Hij veegde zijn handen af aan zijn broek, een werkbroek met meer zakken dan iemand nodig kon hebben. Hij nam haar op, van haar natte capuchon tot haar natte sneakers, en zei niets. Het duurde lang genoeg om ongemakkelijk te worden.
„Wessel,” zei hij toen. Hij gaf geen hand. Hij liep naar een kast bij de deur, trok een la open en haalde er een bos sleutels uit, aan een ring met een houten label waarop met balpen RIEK stond.
„De grote is voor de winkeldeur. Die klemt. Je moet hem optillen en dan draaien. De kleine is voor de achterdeur, de koperen voor boven. De rest weet ik niet. Die had zij zelf ook niet meer uitgezocht.”
„Dank je.” Ze pakte de sleutels aan. Ze waren zwaarder dan ze had verwacht. „Je hebt voor haar gezorgd, begreep ik? Een beetje?”
„Ik heb haar dakgoot gemaakt. En de trap. En de achterdeur, twee keer.” Hij haalde zijn schouders op. „Noaberschap. Dat doe je hier.”
„Dat is heel aardig van je.”
„Het is niet aardig. Het is gewoon zo.” Hij zette het masker al weer recht. „Ze heeft het vaak over je gehad, trouwens.”
Sanne wist niet wat ze daarop moest zeggen. Ze wist ook niet of het een verwijt was. Het klonk als een verwijt.
„Ik kom het pand bekijken,” zei ze. „Ik denk dat ik het ga verkopen. Ik woon in Amsterdam, dus...”
„Dat dacht ik al.”
„Wat bedoel je daarmee?”
Hij zette de machine weer aan. Het zeuren vulde de schuur, en Wessel boog zich over zijn plank alsof ze er nooit was geweest.
De winkeldeur klemde inderdaad. Ze tilde hem op, draaide, duwde met haar schouder, en toen ging hij open met een rinkel van het belletje erboven die zo hard en helder door het lege pand klonk dat ze ervan schrok.
Binnen was het koud en het rook naar stof en meel, nog steeds meel, na zeven maanden. De toonbank stond er nog, een lange houten toonbank met een glazen vitrine erin, leeg op een paar plastic broodbakjes na. Achter de toonbank rekken met schuine planken waar het brood had gelegen. Een weegschaal met een wijzer. Een kassa die eruitzag alsof hij nog in guldens rekende. Aan de muur hing een kalender van een meelfabriek, opengeslagen op maart.
Ze liep langzaam rond. Haar natte schoenen piepten op de tegels, zwart en wit, in een patroon dat ze ineens weer voor zich zag van onderaf, van toen ze klein was en op haar hurken onder de toonbank zat met een stuk boterkoek dat ze niet mocht hebben. Tante Riek die riep: „Waar is dat kind? Er is hier een muis die boterkoek eet!” En Sanne die haar adem inhield van plezier.
Achter de winkel lag de bakkerij. Een grote ruimte met witte tegels tot halverwege de muur, een lange werktafel van hout dat op sommige plekken bijna doorgesleten was, een deegmenger zo groot als een wasmachine, met HOBART op de zijkant. En tegen de achterwand de oven: een enorme, zwartgrijze kast met drie stalen deuren boven elkaar, elk met een raampje en een thermometer. Het ding had iets van een locomotief. Op een emaille plaatje stond Werner & Pfleiderer, Stuttgart.
Sanne legde haar hand op de koude ovendeur. Ze dacht aan de taxatie. Aan de makelaar die ze morgen ging bellen. Aan wat zo'n oven zou opbrengen, als iemand hem al wilde hebben, of wat het zou kosten om hem eruit te laten slopen.
Op de bovenste ovendeur lag iets. Een schrift, een ouderwets blauw schoolschrift met een etiket op de voorkant en ezelsoren op elke hoek. Het was zo plat en zo blauw tegen de grijze oven dat ze het bijna niet had gezien. Het lag precies in het midden, alsof iemand het daar met zorg had neergelegd.
Er zat een geel memoblaadje op. Ze kende het handschrift van de verjaardagskaarten.
Voor Sanne. Eerst lezen, dan pas verkopen. — R.
Op het etiket stond in een ander, hoekiger handschrift, met vulpen: Recepten. Niet meenemen. Niet weggooien. G. Wolters.
Buiten sloeg de kerkklok één keer. Het was half vier. Sanne stond in de koude bakkerij met een schrift in haar handen en voelde iets wat ze in zeven weken niet had gevoeld: nieuwsgierigheid. Het was klein, het was nauwelijks iets. Maar het was er.
Ze sloeg het schrift open.