Hoofdstuk 2: Te strak
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
De ziekenboeg lag op het tweede dek van de Centrale Ring, aan de binnenkant, waar de ramen uitkeken op het Plein in plaats van op zee. Iemand had ooit besloten dat zieke mensen beter op bomen konden kijken dan op golven, en dus stonden er onder de ramen vier rijen lindes in grote bakken, hun bladeren al geel van de oktoberkou. Femke kwam er tegen vieren, na een dienst die ze zich nauwelijks kon herinneren.
Sanne lag in een kamer met twee bedden, haar been in een lichtblauwe kooi van printplastic. Ze zag er beter uit dan op de steiger. Ze had haar haar los en at vla uit een plastic bakje.
‘Daar is ze,’ zei Sanne. ‘De vrouw met de stofzuiger.’
‘Hoe is het?’
‘Scheenbeen. Twee stukken. Ze hebben er een pin in gezet en de dokter zegt zes weken, maar de dokter is ook een optimist, dus reken maar op tien.’ Ze wees met haar lepel naar het andere bed, waar een vrouw zat die Femke niet meteen herkende. ‘Ken je Anouk?’
Femke kende haar wel. Iedereen op de Bank kende Anouk Kuiper, al was het maar omdat ze de helft van de kinderen op het station had leren lezen. Ze was achtendertig, lang, met kortgeknipt donker haar dat grijs begon te worden bij de slapen. Ze zat niet in het bed maar op de rand, in haar jas, een tas op haar knieën.
‘Ik kom alleen even langs,’ zei Anouk. ‘Sanne heeft vorig jaar de zwemlessen van mijn zoon gedaan.’
‘Mats,’ zei Sanne. ‘Zwemt als een zeehond. Een hele slome zeehond.’
Anouk glimlachte, maar niet met haar ogen. Femke wist waarom. Negen weken geleden was haar man omgekomen in Veld 6. Jorrit Kuiper, oogstoperator, eenenveertig. Een oogstlijn was geknapt terwijl hij op het dek van een oogstplatform stond, en het losgeslagen einde had hem geraakt. Op de Bank was het in twee dagen het gesprek van elke kantine geweest, en daarna was het stil geworden, op die manier waarop dingen stil worden als niemand meer weet wat er nog over te zeggen valt. Er was een onderzoek geweest. Materiaalvermoeidheid, stond in het rapport. Een lijn die zijn tijd had gehad.
‘Gecondoleerd,’ zei Femke. ‘Ik heb het nooit persoonlijk gezegd.’
‘Dank je.’
Er viel een stilte. Op het Plein beneden speelde iemand op een accordeon, slecht, steeds hetzelfde stukje.
‘Ze zeggen dat het een fout van het systeem was,’ zei Anouk toen. ‘Vanochtend. Met die poort.’
Femke keek naar Sanne. Sanne haalde haar schouders op. ‘Iedereen weet het al. Daan heeft het in de kantine gezegd. Een overlap in de planning.’
‘Dat zegt Stuur,’ zei Femke.
Anouk draaide haar hoofd. ‘En jij gelooft dat niet.’
Het was geen vraag. Femke wist niet goed wat ze moest antwoorden. Ze kende Anouk nauwelijks. Ze kende de regels over het delen van incidentinformatie wel, en die waren duidelijk: niets buiten de veiligheidscommissie voordat het onderzoek klaar was.
‘Ik weet het nog niet,’ zei ze.
Anouk knikte langzaam, alsof dat genoeg was. Ze stond op en hing haar tas over haar schouder. Bij de deur bleef ze staan.
‘Jorrit zei iets,’ zei ze. ‘Een paar dagen voor het gebeurde. Hij kwam thuis en hij was chagrijnig, en dat was hij bijna nooit. Hij zei dat de lijnen te strak stonden. Dat hij het al twee keer had gemeld en dat er niks mee gebeurde.’ Ze keek naar de vloer. ‘Ik heb het tegen de onderzoekers gezegd. Die hebben het opgeschreven. Daarna heb ik er nooit meer iets over gehoord.’
‘Te strak,’ herhaalde Femke.
‘Zo zei hij het. Ik weet niet wat het betekent. Ik geef groep vier.’
Toen ze weg was, keek Sanne Femke lang aan.
‘Wat?’ zei Femke.
‘Je hebt dat gezicht.’
‘Welk gezicht?’
‘Het gezicht dat je had toen je erachter kwam dat de kantine de kelpchips uit Veld 2 haalde in plaats van uit Veld 12. Dat gezicht van: ik ga dit uitzoeken en het kan me niks schelen wie er boos wordt.’
‘Er was een verschil in zoutgehalte.’
‘Precies dat gezicht.’
Daan Mulder zat in zijn kantoor aan de rand van de verwerkingshal, waar het altijd naar jodium en natte touwen rook. Hij was tweeënvijftig, kwam uit Harlingen en had ruim dertig jaar op zeewierboerderijen gewerkt, eerst voor de Friese kust, toen in Noorwegen en sinds de opening van het eerste veld op de Bank. Hij had handen als roeispanen en een manier van kijken waardoor stagiairs vanzelf rechtop gingen staan.
‘Het staat in het logboek,’ zei hij, nog voor Femke goed en wel binnen was. ‘Planningsfout. Stuur heeft het zelf gemeld. De commissie kijkt ernaar.’
‘Veld 9 is niet geoogst.’
Daan keek op van zijn scherm. ‘Wel.’
‘Niet. Ik heb het vanochtend gezien. Die kelp is vier, vijf maanden oud. Het blad is meer dan twee meter. Op Sannes camera zie je het ook.’
‘Dan is de registratie verkeerd.’
‘Vijfhonderdtwintig ton, Daan. Die zijn naar de verwerking gegaan, volgens de registratie. Waar komen die vandaan als ze niet uit Veld 9 komen?’
Daan zei een tijdje niets. Hij leunde achterover, zodat zijn stoel kraakte, en keek naar het raam. Achter het glas reed een vorkheftruck met witte balen gedroogde kelp door de hal.
‘Je hebt een vriendin met een gebroken been,’ zei hij. ‘Dat is klote. Maar ga nu niet allerlei spoken zien omdat je je schuldig voelt dat jij in die hut zat.’
‘Ik voel me niet schuldig.’
‘Dan ben je de enige.’ Hij zuchtte. ‘Luister. Ik heb hier honderdtwintig mensen rondlopen. We draaien op tachtig procent bezetting sinds de zomer, ik heb twee platforms in onderhoud en de ENA wil dat de export dit kwartaal omhooggaat, omdat ze in Zuid-Europa weer eens niks van de grond krijgen. Als jij denkt dat er iets niet klopt, schrijf het op. Netjes. Met cijfers. Dan geef ik het door.’
‘Jorrit heeft het ook opgeschreven.’
Daan verstijfde. Het was een kleine beweging, nauwelijks zichtbaar, een spier in zijn kaak.
‘Wat weet jij van Jorrit?’
‘Dat hij twee keer gemeld heeft dat de lijnen te strak stonden.’
‘Hij heeft het één keer gemeld. Bij mij. Ik heb het doorgezet naar techniek. Techniek heeft de spanning gemeten en die zat binnen de norm.’ Daan wreef over zijn gezicht. ‘Die lijn was oud, Femke. Het rapport zegt materiaalvermoeidheid. Ik heb dat rapport gelezen. Tien keer.’
Er zat iets in zijn stem waardoor ze besloot er niet verder op in te gaan. Ze knikte, zei dat ze het zou opschrijven, en ging.
Het opschrijven deed ze die nacht, in haar flat op het derde dek van de oostzijde. Ze woonde er met Yusuf Demir, die bij voedselplanning werkte en op dit uur al sliep, zijn deur dicht, zijn fiets in de gang zoals altijd half voor de wc. Femke maakte thee van gedroogde munt uit de serres en ging aan de keukentafel zitten met haar oude laptop, een ding dat ze van haar vader had gekregen toen ze ging studeren in Delft en dat ze weigerde weg te doen.
Stuur leverde iedereen op het station de informatie die je voor je werk nodig had. De oogstregistratie. De spanningsmetingen op de lijnen. Het onderhoudslogboek. Allemaal netjes in grafieken, gemiddeld per veld, per week.
Maar Femke had iets wat de grafieken niet hadden. Twee jaar geleden had ze voor een eigen projectje, een test met een nieuw soort sensoren, op twaalf oogstlijnen in de velden 5, 6 en 9 kleine spanningsmeters gezet die niet aan Stuur hingen. Ze stuurden hun gegevens via een goedkope radioverbinding naar een kastje in de controlehut, waar ze ze eens per maand met een kabel uitlas. Het project was nooit iets geworden. De sensoren hingen er nog. Ze was ze bijna vergeten.
Bijna.
Ze had het kastje vanmiddag uit de hut meegenomen, in haar jaszak, en nu sloot ze het aan. De gegevens liepen binnen, rij na rij, twee jaar aan metingen, iedere tien minuten een getal.
Het duurde even voor ze een manier had gevonden om die rijen in hetzelfde formaat te krijgen als de exports van Stuur. Haar oude scriptjes werkten niet meer met de nieuwe versie van haar besturingssysteem, en ze moest de helft opnieuw schrijven, vloekend, met haar thee koud wordend naast het toetsenbord. Om half een sloop Yusuf in zijn ochtendjas naar de keuken voor een glas water, keek over haar schouder naar het scherm vol getallen, zei ‘nee’ en ging weer naar bed.
Ze legde de getallen naast die van Stuur.
Het eerste jaar kwamen ze overeen. Een paar procent verschil hier en daar, de ruis die je verwacht bij twee verschillende meters. Maar ergens vorig najaar, eind oktober 2093, begonnen ze uit elkaar te lopen. Niet veel. Een half procent per maand. Stuur rapporteerde een spanning die keurig binnen de norm bleef. Femkes sensoren zagen een spanning die langzaam opliep. Eerst tot de rand van de norm. Toen erover. Tien procent. Vijftien.
Ze zocht de lijn op die in Veld 6 had gehangen. Lijn V6-14. Twee weken voor Jorrits ongeluk had hij op tweeëntwintig procent boven de maximaal toegestane belasting gestaan.
Stuur had hem gerapporteerd als normaal.
Femke zat heel lang stil. Buiten, ver weg, hoorde ze de turbines, een laag zoemen dat je na een paar weken op de Bank niet meer opmerkte en dat je toch altijd hoorde. In de gang tikte Yusufs fietswiel tegen de muur, omdat de ring een fractie bewoog op de deining.
Te strak, had Jorrit gezegd.
Ze opende een nieuw document en begon te typen. Netjes. Met cijfers. Ze schreef tot de klok op haar scherm 02:47 aangaf, en toen ze klaar was, wist ze één ding zeker: het was geen materiaalvermoeidheid geweest. De lijn was niet zomaar oud geweest. Iemand of iets had hem met opzet strakker gezet, en had daarna tegen iedereen gezegd dat er niets aan de hand was.