Hoofdstuk 12: Het Lammershuis
Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.
Op maandag ging meneer Brouwer niet naar de notaris.
Dat hoorde Sami van Joris, die het weer van de wethouder had gehoord. Ellen Vos was op zaterdagmiddag naar de Turfmarkt gekomen, in een joggingpak, met haar haar nog nat van het zwemmen. Ze had de akte gelezen. Daarna de brief. Daarna nog een keer de akte. Toen had ze gezegd: „Dit moeten de juristen bekijken. Er wordt voorlopig niks getekend.”
Op dinsdag stond het in de krant. Geheime brief van oprichter zet verkoop oude bibliotheek op losse schroeven. Er stond een foto bij van de gedenksteen met het gat achter de 2. Van Sami en Fleur stond er geen foto bij. Dat had mevrouw Hoekstra geregeld.
„Jullie zijn tien,” had ze gezegd. „Jullie hoeven niet in de krant. Jullie moeten gewoon naar school.”
Dat moesten ze inderdaad. De herfstvakantie was voorbij. In de klas vroeg juf Anouk of Sami iets wilde vertellen over zijn vakantie. Sami zei dat hij had geholpen met verhuizen. Fleur zei niets. Ze keek alleen naar hem en trok één wenkbrauw op, precies zoals mevrouw Hoekstra dat deed.
Het duurde lang. Veel langer dan Sami had gedacht. Er waren vergaderingen in het gemeentehuis. Er kwamen mensen die het gebouw van binnen en van buiten bekeken en dingen opschreven op klemborden. De advocaat van meneer Brouwer schreef een lange brief. De gemeente schreef een lange brief terug.
En toen, in januari, gebeurde er iets wat niemand had verwacht.
Meneer Brouwer kwam zelf naar het huisje aan de Dijkweg. Hij had een doos bonbons bij zich en hij veegde heel lang zijn keurige schoenen op de mat. Mevrouw Hoekstra liet hem binnen. Dewey ging op zijn schoot zitten, en meneer Brouwer durfde zich daarna een halfuur niet te bewegen.
Hij zei dat hij een ander gebouw had gevonden, bij het station. Voor zijn appartementen. En dat hij het oude dak van de Turfmarkt wilde laten maken. Voor de kostprijs.
„Waarom?” had mevrouw Hoekstra gevraagd.
Meneer Brouwer had een tijdje naar de kat op zijn schoot gekeken.
„Mijn dochter is negen,” had hij toen gezegd. „Ze heeft het stuk in de krant gelezen. Ze vroeg of ík die kinderen was die het hadden gevonden. Ik moest zeggen dat ik de man was die de steen eruit wilde halen.” Hij zuchtte. „Dat wil je niet hoeven zeggen tegen je dochter.”
Het Lammershuis ging open op de eerste zaterdag van april.
Er stond een rij op de stoep. Tot aan de fietsenwinkel van de familie De Graaf, en nog verder. Er waren kinderen met hun ouders en opa's en oma's. Er waren mensen die Sami nog nooit had gezien en mensen die hij al zijn hele leven kende. Henk was er, zonder oranje hesje, met een overhemd dat te strak zat. Ab Kok van de sluis was er. Mevrouw Bakker van de kerk was er, met een stapel boeken onder haar arm die ze waarschijnlijk te laat zou terugbrengen.
Het dak was gemaakt. De gevel was schoongespoten. Je kon de letters op de muur weer goed lezen, ook als je niet wist dat ze er stonden. DRUKKERIJ LAMMERS. En eronder hing nu een nieuw bord, van hout, met witte letters:
HET LAMMERSHUIS – LEESHUIS EN DRUKWERKPLAATS VOOR KINDEREN
Daarnaast stond een klein geschilderd kraaitje.
De grote bibliotheek was gewoon verhuisd. De Boekenhaven bij het station was al sinds november open, met zijn glazen muren en zijn lange kasten en zijn computers. Sami was er al vaak geweest. Het was er licht en ruim en er was een hoek met zitzakken waar je de hele middag kon liggen.
Maar het Lammershuis was anders. Hier stonden geen computers. Hier stonden oude houten kasten vol jeugdboeken, die Joris en Wendy hadden uitgezocht. Er stonden tafels om aan te tekenen en te schrijven. Er was een hoek met kussens bij het raam, waar op zaterdagochtend voorgelezen werd. Dat deden vrijwilligers. Mevrouw Hoekstra was de eerste. Meneer Visser de tweede.
En achterin, waar vroeger de drukkerij was geweest, stond de pers.
Meneer Zwaan van de Oudheidkamer had er drie weken over gedaan om hem te laten verhuizen. Hij had elk boutje genummerd. Nu stond de pers weer op precies dezelfde plek als in 1952. Er zat nieuwe inkt op de rollen. En ernaast stond de letterkast, met alle letters in de goede vakjes. Meneer Zwaan had het gecontroleerd. Twee keer.
Om elf uur hield de wethouder een toespraak. Die was kort, gelukkig. Toen gaf ze het woord aan mevrouw Hoekstra.
Mevrouw Hoekstra zei maar drie zinnen.
„Hendrik Lammers heeft dit huis aan de lezers gegeven,” zei ze. „Het is bijna weggeraakt, omdat wij vergeten waren te kijken. Twee kinderen hebben het teruggevonden, omdat ze wél goed keken.”
Toen ging ze zitten. Iedereen klapte. Bobbie blafte.
Daarna was het tijd voor de pers.
Meneer Zwaan legde uit hoe het werkte. Je zette de houtsnede in het raam. Je rolde er inkt overheen. Je legde er een vel papier op. Dan draaide je aan het grote wiel, en het raam schoof onder de zware ijzeren plaat door. Als je het papier eraf haalde, stond de tekening erop. Niet meer in spiegelbeeld, maar goed om.
„Wie wil de eerste?” vroeg meneer Zwaan.
Iedereen keek naar Sami en Fleur.
Ze deden het samen. Fleur legde de houtsnede neer. De kraai op de stapel boeken. Sami rolde de inkt. Ze legden het papier erop en pakten allebei een spaak van het wiel. Het wiel was zwaar. Het draaide langzaam, met een zacht gekraak. De pers zuchtte.
Fleur tilde het papier op.
Daar stond hij. Zwart en scherp. Een kraai met zijn kop schuin, op een stapel boeken. Elk veertje, elk lijntje. Precies zoals Hendrik Lammers hem meer dan zeventig jaar geleden in het hout had gesneden.
Er werd geklapt. Meneer Visser haalde een grote zakdoek uit zijn broekzak en snoot luid zijn neus.
In de zomer zou het hele boek gedrukt worden. De kraai die wilde lezen. Twaalf hoofdstukken, twaalf houtsneden. Kinderen uit Wijkerveen zouden helpen met het zetten van de letters, elke zaterdag een stukje. Het eerste exemplaar zou naar De Boekenhaven gaan. Het tweede naar meneer Visser. Hij had het al drie keer gevraagd.
Boek zeven had hij trouwens terug. Zeilschepen van de Zuiderzee. Hij had er een botter naar gebouwd die nu in de vensterbank van het Lammershuis stond, met een piepklein kraaitje op het zeil.
Aan het eind van de middag, toen bijna iedereen weg was, zaten Sami en Fleur in de hoek met de kussens. Buiten scheen de zon schuin over de Turfmarkt. Op de tafel stonden lege bekertjes limonade en een schaal met kruimels van de krentenbollen.
Sami had het lege schrift op zijn knieën. Boek twaalf. Voor het volgende verhaal.
„Ga je erin schrijven?” vroeg Fleur.
„Misschien.”
„Waarover?”
„Weet ik nog niet.” Hij tikte met zijn pen tegen zijn tanden. „Over een jongen die zegt dat hij geen lezer is. En dan een kist vindt.”
„Dat is al gebeurd.”
„Juist daarom. Dan hoef ik niks te verzinnen.”
Fleur lachte. Ze had haar eigen boek op schoot, zoals altijd. Het was dik en had een kraai op de kaft. Ze had het in De Boekenhaven geleend, alleen vanwege die kraai.
Mevrouw Hoekstra kwam langs met Dewey in haar armen. Ze keek over Sami's schouder naar het schrift.
„Dat mag,” zei ze. „Dat is geen bibliotheekboek. Dat is een schrift.” Ze liep door. Toen draaide ze zich nog even om. „Maar als ik ooit potlood in een van mijn boeken vind, Sami Haddou...”
„Ik weet het,” zei Sami.
Toen ze weg was, sloeg hij het schrift open. Hij sloeg de eerste bladzijde om, die met het kraaitje. Op de tweede bladzijde, helemaal bovenaan, schreef hij met zijn mooiste letters een zin. Het ging langzaam. Hij hoefde geen haast te hebben.
Daarna pakte hij uit zijn rugzak een velletje papier. Daar had hij gisteravond iets op getekend en geschreven. Een klein vogeltje, met zijn kop schuin. En een zin.
Hij vouwde het dubbel en legde het in de houten kist, die nu op een plank stond, naast het raam. Onder de dubbele bodem. Daarna draaide hij het sleuteltje om.
Fleur keek hem aan. „Wat heb je erin gelegd?”
„Een aanwijzing,” zei Sami.
„Voor wie?”
Hij keek naar buiten. Naar de stoep, waar een klein meisje op een fiets met zijwieltjes rondjes reed. Naar de Turfmarkt, en de daken, en de kerktoren met zijn honderdzeven treden.
„Voor de kinderen van later,” zei hij.