Hoofdstuk 12: Niemand op het wad

Dit verhaal is geschreven met behulp van AI.

Die zaterdagavond kwam Bram eten.

Hij kwam met de auto van Hessel, want fietsen ging nog niet met zijn knie, en hij had een kruk onder zijn arm en een bos chrysanten in zijn hand. De chrysanten waren geel en een beetje plat gewaaid. Hij gaf ze aan oma zonder iets te zeggen, en oma zette ze in een vaas zonder iets te zeggen, en Noor had het gevoel dat ze dat al vaker zo hadden gedaan.

Oma had stamppot zuurkool gemaakt, met spekjes en een gehaktbal voor iedereen. Mies zat op de vensterbank en hield de gehaktballen in de gaten. Buiten was de storm gaan liggen. Het waaide nog wel, maar gewoon, zoals het op een eiland altijd waait. De lucht was schoon en hoog, en de eerste sterren kwamen erdoor.

„Jullie moeder belde nog", zei oma tegen Noor, terwijl ze opschepte. „Ze komt jullie morgen van de boot halen in Harlingen. Allebei. Daans vader komt ook."

„Is ze boos?" vroeg Noor.

Oma dacht even na. „Ze was eerst heel erg geschrokken. Toen was ze een beetje boos. En toen zei ze dat ze heel trots op je was." Oma legde een gehaktbal op Noors bord. „In die volgorde."

Noor prikte in haar gehaktbal. „Ze zei tegen mij: doe een keer voorzichtig."

„En dat heb je gedaan", zei Daan met volle mond. „Honderdtweeënveertig treden. Twee keer. Zonder te rennen."

„Honderdveertig", zei Noor. „Twee heb ik overgeslagen."

Bram lachte zijn roestige lachje.


Na het eten, toen oma koffie zette en de kinderen de borden afwasten, keek Noor naar de pan op het aanrecht. De emaille pan met het deukje in de zijkant. Ze droogde hem af en draaide hem om. Op de bodem stond, met nagellak geschreven, heel klein: B.Z.

Ze draaide zich om.

„Oma. Dit is niet jouw pan."

Oma bleef staan met de koffiepot in haar hand. Bram keek naar het tafelkleed. Het was een paar tellen stil.

„Nee", zei oma toen. „Het is Brams pan. Hij brengt hem elke week leeg terug, en ik breng hem elke week vol weer weg. Al drie jaar." Ze zette de koffiepot neer en ging zitten. „Jullie willen het zeker weten, hè?"

Noor en Daan knikten tegelijk.

„Toen opa ziek werd", zei oma, „vroeg hij me om twee dingen. Het eerste was dat ik niet te lang verdrietig zou zijn. Dat lukte niet zo goed." Ze glimlachte een beetje. „Het tweede was dat ik op Bram zou letten. Dat hij warm at. En dat iemand zou weten waar hij was, elke avond, als hij in die toren zat. Dus ik weet het al die tijd. Elke avond om tien uur sta ik op de zolder en kijk ik of het licht aangaat. En als het om kwart over tien knippert, weet ik dat hij klaar is, en ga ik naar bed."

„Je wist het", zei Noor. „Je wist het de hele tijd. En je zei dat ik gedroomd had."

„Het was zijn geheim", zei oma. „Niet het mijne." Ze keek Noor aan. „Maar ik heb jullie wel op die zolder laten slapen. Ik had jullie ook in de logeerkamer kunnen leggen. Daar staat een prima bed."

Noor opende haar mond en deed hem weer dicht.

„Je wilde dat we het zagen", zei Daan langzaam.

„Ik dacht dat het misschien tijd werd", zei oma, „dat er nog iemand op Bram ging letten. Iemand die nog lang mee kan." Ze haalde haar schouders op. „Ik had alleen niet gedacht dat jullie meteen de hele toren zouden bestormen."

Bram schraapte zijn keel. „Ik ook niet", zei hij. „Door dat luik van het olieschuurtje."

Iedereen lachte. Ook Noor, al had ze tegelijk een raar gevoel in haar buik. Een warm gevoel. Alsof ze een puzzel af had gemaakt waarvan ze niet eens wist dat ze ermee bezig was.


Om tien voor tien gingen ze naar de zolder. Allemaal. Bram had er een kwartier over gedaan om de steile trap op te komen, met oma achter zich en Daan voor zich, en hij had bij elke tree gemopperd. Nu zat hij op Daans bed, met zijn been gestrekt. Oma zat naast hem. Noor en Daan zaten bij het raam, met een deken om hun schouders, net als de eerste avond.

„Wie doet het vanavond?" vroeg Noor.

„Hessel", zei Bram. „Hij heeft de twee slechte treden vanmiddag met de brandweer dichtgetimmerd. Tijdelijk. De wethouder vond het goed, voor één keer. Volgende maand komt er een nieuwe trap." Hij keek op zijn horloge. „Hij is een prima schipper. Maar hij weet niet hoe je zachtjes over de slenk gaat. Dat moet ik hem nog leren."

„En ons", zei Daan.

„En jullie", zei Bram. „In de zomervakantie. Als jullie oma het goedvindt."

„Jullie oma vindt het goed", zei oma.

Noor keek naar buiten. Het wad lag zwart en glanzend onder de sterren. Het water was ver weg. Ergens tussen de dijk en de Hoge Plaat liep de Oosterslenk, die nu leeg en stil was. Morgen zou hij weer vollopen. En overmorgen weer. Twee keer per dag, het hele jaar door, zonder dat iemand er iets aan kon doen.

Ze dacht aan Wouter. Aan Fenna, die die ochtend met een tekening bij De Kievit had aangebeld. Een tekening van een vuurtoren, met een gele straal die een roze stipje raakte, en een bruin stipje, en een stipje met een bril. Voor Noor en Daan, stond eronder, in grote, scheve letters. Van Fenna en Bolle. Bolle zegt sorry.

„Twee minuten", zei Daan. Hij had het notitieboekje open op de vensterbank.


Om twee minuten voor tien ging het licht aan.

Het gleed langzaam over het wad, van links naar rechts. Over de dijk. Over de bakens van het wadpad. Over de slenk. Over de Hoge Plaat, waar de oude ijzeren paal nu een lange, dunne schaduw gooide over het zand. Even bleef het daar hangen. Toen gleed het verder, naar de zee.

Niemand zei iets. Noor voelde dat oma haar hand op haar schouder legde. Bram zat heel stil op het bed. Zijn lippen bewogen, maar er kwam geen geluid uit. Noor vroeg niet wat hij zei.

Om twaalf over tien ging het licht uit.

Om vijftien over tien knipperde het. Eén keer, kort.

En toen, na een paar tellen, knipperde het nog een keer. En nog een keer.

„Dat is nieuw", zei Daan.

„Dat is Hessel", zei Bram. Zijn stem was een beetje schor. „Hij vroeg me vanmiddag of hij er een paar mocht toevoegen. Eén voor Wouter. En één voor Jelle. En één..." Hij keek naar Noor en Daan. „Nou ja. Eén voor de nieuwe wachters."

Daan schreef het op. Zijn letters trilden, net als op de eerste avond.

Toen schoof hij het notitieboekje naar Noor toe, en het potlood erbij.

„Schrijf jij het laatste", zei hij.

Noor pakte het potlood. Ze dacht even na. Toen schreef ze, in haar eigen schuine handschrift, de woorden die ze nu zo goed kende:

Zaterdag. Wind W 4. Helder. Licht 21.58 tot 22.12. Niemand op het wad.


De boot vertrok de volgende middag om twee uur. Het was koud en helder, en de zee was zo kalm dat het leek alsof er nooit een storm was geweest. Op de kade stond half het eiland. Ilse met een zak oliebollen voor onderweg. Fenna, die op een paal was geklommen en wild zwaaide, met Bolle eronder, die blafte naar de meeuwen. Mevrouw Dijkstra van de bibliotheek. Hessel in zijn oranje jas. Meneer Wessels, die een duim opstak.

En vooraan oma, in haar gele regenjas, met Bram naast zich, leunend op zijn kruk.

Noor en Daan stonden op het achterdek. Deze keer stonden ze er allebei. Daan met zijn bril vol druppels, Noor met haar capuchon diep over haar hoofd.

De boot toeterde. Het water tussen de kade en de reling werd breder. Een meter. Tien meter. Het eiland werd kleiner: de haven, de rode daken, de dijk. En aan het eind, op het hoge duin, de vuurtoren. Wit, met een rode band om zijn middel.

Toen zag Noor dat Bram iets omhoog hield. Iets zwaars van metaal.

Opa's zaklamp. Daan had hem die ochtend aan hem gegeven. Voor in de toren, had hij gezegd. Voor de zekerheid.

Bram richtte hem op de boot en drukte op de knop. Het was klaarlichte dag, en de zaklamp was oud en zwak. Je zag het lichtje bijna niet.

Maar Noor zag het. Kort, kort, kort.

Ze stak haar arm in de lucht en zwaaide, tot het eiland een donkere streep was aan de rand van de zee, en daarna nog een hele tijd.